Dwars door het aardse heen de hemel zien

Aan U behoort, o Heer der heren (Liedboek 978)
Aan U behoort, o Heer der heren,
de aarde met haar wel en wee,
de steile bergen, koele meren,
het vaste land, de onzekere zee.
Van U getuigen dag en nacht.
Gij hebt ze heerlijk voortgebracht.
Gij roept het jonge leven wakker,
een tuin bloeit rond het open graf.
Er ruisen halmen op de akker
waar zich het zaad verloren gaf.
En vele korrels vormen saam
een kostbaar brood in uwe naam.
Gij hebt de bloemen op de velden
met koninklijke pracht bekleed.
De zorgeloze vogels melden
dat Gij uw schepping niet vergeet.
’t Is alles een gelijkenis
van meer dan aards geheimenis.
Laat dan mijn hart U toebehoren
en laat mij door de wereld gaan
met open ogen, open oren
om al uw tekens te verstaan.
Dan is het aardse leven goed,
omdat de hemel mij begroet.
Tekst: Jan Wit
De Pietersberg
Jan Wit (1914–1980) schreef de tekst van dit lied. Hij was theoloog, predikant en dichter en is bekend om zijn psalmberijmingen (o.a. 150 Psalmen) en kerkliederen. Wit werkte aan die liederen in een dichterscollectief, dat verder bestond uit Willem Barnard, Muus Jacobse, Jan Willem Schulte Nordholt en Ad den Besten. Als groep kwamen ze regelmatig bij elkaar op landgoed ‘De Pietersberg’ te Oosterbeek. Vanaf 1953 overlegden ze daar over de liederen voor een nieuw gezangenboek, dat uiteindelijk het Liedboek voor de Kerken werd (1973).
Diepzinnig eenvoudig
Jan Wits dichtkunst blinkt uit door diepzinnige eenvoud: zijn taal lijkt eenvoudig, maar schijn bedriegt, want er gaat enorme diepgang schuil. Hij smeedt gedachten en ervaringen om tot heldere, gestructureerde verzen met een sterk ritme en metrum. Nooit wordt hij prekerig.
Dichtkunst in het lied
In het bovenstaande lied, dat ik een echt voorjaars- zomerlied vind, zie je die ijzersterke dichtkunst van Wit terug. Moet ook natuurlijk, want het moet te zingen zijn op een melodie. In dit geval ‘Wer nur den lieben Gott lässt walten’. Maar niet alleen het me-trum is volmaakt. Ook het rijm klopt precies, tot op de letter (d=t). En meer dan dat is er sprake van alliteratie en van klinkerrijm.
[tekst gaat verder onder de afbeelding]

Dichter Jan Wit. Hij was visueel beperkt (blind)
Alliteratie en klinkerrijm
Alliteratie betekent, dat de beklemtoonde beginklank van opeenvolgende woorden hetzelfde is. In couplet 1 hoor je het in “Heer der Heren,” “wel en wee,” en iets meer verstopt in de “onzekere zee.” Klinkerrijm (assonantie) is als de klinkers binnen woorden op elkaar rijmen. “De aarde met haar…” in het eerste couplet maar ook “leven” en “hemel” in het laatste couplet zijn voorbeelden daarvan. Al deze vormen van rijm geven ritme, verbinding, en muzikaliteit aan de tekst.
Tekst na tekst na tekst
Ik dacht altijd dat Willem Barnard een meester was in het ‘verstoppen’ van Bijbelteksten in zijn poëzie. Op het eerste gezicht schrijft die gewoon pakkende en passende beelden, maar als je ze nog eens bekijkt, blijken ze stuk voor stuk doorkijkjes naar bijbelverhalen te zijn. Jan Wit doet dat in dit lied ook. Ik probeer het te laten zien.
Couplet 1
De aarde
Het eerste vers van het lied gaat over de aarde. Die wordt steeds in tweevoud beschreven. Wel en wee, Steile bergen en koele meren, het vaste land en de onzekere zee. Dag en nacht. Mooi hè, hoe niet alleen de schoonheid en het goede, maar ook de ‘wee’ meegenomen wordt als onderdeel van de aarde. Dan weet je meteen dat het niet een zoet liedeke gaat worden. In de steile bergen en koele meren lijken verwijzingen te zitten naar respectievelijk Psalm 121 en Psalm 23 (of het boek van Frederik van Eeden). En klinkt in de onzekere zee niet het verhaal van Petrus door, wandelend op het water (Matteüs 14:30)?
Couplet 2
De schepping
Nadat de aarde en alles wat daarin is (Psalm 24) worden bezongen als van God, beschrijft het lied hoe God het leven schept (wakker roept) op die aarde. Maar meteen daarna staat het couplet in het teken van Pasen. In beelden over leven dat opkomt uit de dood. Het jonge leven dat wakker geroepen wordt staat in een adem met de tuin rond het open graf op Paasmorgen (“zij dacht dat het de tuinman was”, Johannes 20). En de halmen zijn het gevolg van zaad dat durfde los te laten (Johannes 12:24).
Nieuw Leven
Het tweede couplet eindigt met een zo natuurlijke overgang van halmen naar brood, dat het bijna logisch voelt. Maar het is theologie. De vele korrels samen vormen het (levende) brood (Johannes 6:35), zoals ieder lid van de groep volgelingen van Jezus samen diens lichaam vormt (1 Korintiërs 12:12). Met andere woorden: de volgelingen zijn het nieuwe leven van Jezus in de wereld, zij zetten diens Leven voort.
Couplet 3
Zorgeloze schepping
Het lied lijkt op het eerste gezicht dus een beschrijving van alles wat er aan moois op aarde te bezingen en te genieten is. Daarom spreekt dit lied ook zo aan denk ik. Want als mensen kunnen we enorm genieten van de natuur, en de enorme variatie in landschap en leven op onze planeet. Maar… en het ‘wel en wee’ in couplet 1 hintte er eigenlijk al op, het gaat ook over de ervaring van de mens op aarde. En hoe ‘wee’ wordt omgeturnd tot ‘wel’. Ook dat is scheppingskracht. En het is aanleiding tot zorgeloosheid. Hier grijpt de dichter terug op de geliefde gelijkenis van Matteüs 6:24 e.v. Over de ‘leliën des velds’, zo heetten ze althans in de oude vertaling, en de ‘vogelen des hemels’.
Gelijkenis
Er wordt wel eens wat meewarig gedaan over mensen die God in de natuur beleven. Want de natuur dat is toch het gevolg van evolutie? Daar heeft God toch niets mee te maken? Ja, misschien, zeggen die mensen dan, maar toch vervult het me met verwondering. Terecht, zegt de dichter aan het eind van het derde couplet. Het is een gelijkenis van meer dan aards geheimenis.
Geheimenis
Een gelijkenis… met andere woorden: iets dat iets wil zeggen over wat anders. Het valt daar niet mee samen, misschien slaat het de plank wel mis, maar toch. Het gaat over een geheimenis, een mysterie, waarvan je misschien kunt voelen dat het meer dan aards is. Hemels misschien?
Couplet 4
Zien even
Even heeft de dichter het kunnen zien, het laten zien. Op welke manier de aarde, haar wel en wee, aan God zouden kunnen toebehoren. Als Gods schepping, zichtbaar in het nieuwe leven, zichtbaar in hoe uit het graf van Pasen de gemeente van Christus groeide, zoals halmen uit gestorven graan. Als Gods schepping, zichtbaar in het behoud en de verandering ten goede die we in de natuur kunnen zien. Even heeft hij het kunnen zien, en wij zien het met hem mee.
De hemel zien
Maar kunnen we dit beeld vasthouden? Dit visioen, dit doorkijkje dwars door onze wereld naar de dimensie die eronder licht, de goddelijke kracht die erachter schuilgaat, voedend en verzorgend? Misschien moeten we er gewoon maar voor bidden. Dat is wat het laatste couplet van het lied dan ook doet. De tekens van God zien in het alledaagse aardse leven, om zo de hemel te zien die erachter schuilgaat.
Kiekeboe
Ik ben benieuwd of in de pracht van deze zomer af en toe de hemel even kiekeboe komt spelen. Houd je ogen en oren open!
[luister het lied hier – na het wat overdonderende eerste couplet wordt het wat verstaanbaarder]
ds. Kaj van der Plas


