Niet te beschrijven zo dichtbij

Marc Chagall, Abraham en de drie engelen (1966) (zie Genesis 18:1-15)
Er komen in het Oude en Nieuwe Testament allerlei aanduidingen voor God voor. God de ontzagwekkende bijvoorbeeld, of de genadige, de waarachtige. De Heer die vrede is, die mijn herder is, die daar is. Ook metaforen worden gebruikt, zoals vader, rots, kracht, liefde, arend. Als ik jou vraag om God te beschrijven, welke woorden kies jij dan? En is die omschrijving definitief, eens en voor altijd, onveranderlijk? Of kies je op verschillende momenten verschillende woorden voor God? Raakt jouw woord voor God het unieke van jouw gedachte of ervaring, of schiet een woord per definitie tekort?
Zoals altijd zijn de vragen sneller op te schrijven dan ze te beantwoorden. Ik luisterde naar een verhaal over hoe je een mens omschrijft, waarin de schrijver de gedachte aanreikt dat het vooral het ‘andere’ is, het onderscheidende, waarmee we iemand omschrijven. Zouden we voor God ook niet moeten kiezen voor datgene waarin die van ‘de afgoden’ van onze tijd verschilt? Dan vermijd je woorden van macht, roem en strijd misschien. We zien wat daar in de mensenwereld van komt…
Maar lees eerst zelf het verhaal maar even. Ik heb het voor je vertaald. De bron staat eronder, mocht je het in het Engels willen lezen of luisteren.
De laatste beschrijving – Alfred Jung Lee
Nog niet zo lang geleden las ik in een tijdschrift een profielschets van iemand met, ik citeer, “een ontzagwekkende witte baard, golvend grijze pony en donkere, overhangende wenkbrauwen”. Er stond een foto bij. Toen ik die bekeek, bewonderde ik hoe efficiënt de beschrijving was. Er stond niet dat de man twee armen had en een neus. Die details werden als vanzelfsprekend aangenomen.
Toen ik hierover nadacht, realiseerde ik me dat je, als je iemand beschrijft, ook beschrijft hoe die persoon afwijkt van de norm, wat hem of haar anders maakt dan ieder ander. Onlangs moest iemand die ik nog nooit had ontmoet me ophalen van een vliegveld, en ik stuurde een beknopte beschrijving van mezelf -“Aziatische kerel met te veel bagage”, appte ik.
Ik liep de luchthaven uit, sleurend aan twee koffers, een handbagagekoffer en een rugzak. Ik hoorde een onbekende mijn naam roepen. Ik was herkend nog voordat ik bij de stoep was aanbeland. Een beschrijving richt de aandacht op wat anders is aan iets. “Aziatische kerel met te veel bagage” is een goede beschrijving in het Midwesten, maar minder in Seoul. Hoe meer je je richt op wat het meest anders is, hoe beter de beschrijving.
In de online steungroep voor mensen die hun partner verloren, beschrijven deelnemers vaak hun overleden echtgenoten. De beschrijvingen volgden meestal een vast stramien. De verschillen zaten in het beroep. De overleden echtgenoot een was accountant, winkelmanager, zorgmedewerker. Qua persoonlijkheid waren ze “eigenzinnig” of “hielden van grapjes”. Er was een vrouw die van motoren had gehouden, een man die een lieve vader was geweest voor kinderen die niet biologisch van hem waren. Soms deelden we foto’s.
Zelfs terwijl ik naar die foto’s keek en naar de verhalen luisterde, vond ik het moeilijk om me voor te stellen dat ze ooit hadden geleefd. Als iemand zijn partner beschreef als “eigenzinnig”, nam ik aan dat die persoon koppiger was dan gemiddeld. Maar ik was niet zeker wat dat nou eigenlijk zei. Het meeste van een beschrijving blijft onuitgesproken.
De laatste tijd is mijn werkelijkheid veranderd zonder dat ik het in de gaten had, en ik worstel ermee om dat onder woorden te brengen. Mijn vader belde me onlangs op vanuit Korea, en dat gaf me de kans om het te proberen. Ik beschreef het weer in mijn nieuwe woonplaats in het Midwesten, dezelfde stad waar ik was opgehaald van het vliegveld, zei dat het rond de 20 graden was, laat in de middag, dat ik tien minuten van de campus vandaan woonde, waar ik had besloten om weer naar school te gaan voor een schrijfprogramma, en dat de stad heuvelachtig was en niet vlak.
Hij vroeg naar mijn nieuwe vrienden en medestudenten, en ik vertelde hem wat ik iedereen vertel: ergens midden twintig en eind dertig, allemaal schijnbaar slim en aardig. Ik vertelde over mijn studio-appartement: dat er genoeg ruimte was, dat er veel licht binnenkwam, over de plekken waar ik naartoe kon lopen.
Maar er hing nog iets boven ons gesprek, een ander plaatje dat niet onder woorden werd gebracht. Het was het beeld van hoe mijn leven eruit had gezien als alles volgens plan was verlopen, en hoe deze huidige situatie, ver weg van alles wat ik me ooit had voorgesteld, al dan niet afweek van dat plan, of dat misschien iets zei over of ik het wel of niet redde en, daardoor, of mijn vader zich zorgen moest maken. Het was dit tweede plaatje, dit andere leven waar we omheen praatten, en de mate waarin mijn huidige leven daarvan al dan niet afweek, waar ons gesprek ook over ging.
Ik herinner me een keer dat ik voelde dat ik iets begreep over een van andere overleden partners. In plaats van haar man te beschrijven, beschreef een vrouw een elektrisch scheerapparaat. Het had van haar man geweest en hij had het vele ochtenden gebruikt. Vroeger haatte ze de herrie, maar nu hij dood was miste ze het geluid van het stomme ding als ze ’s ochtends wakker werd. Op de een of andere manier kwam hij toen tot leven voor me, hoewel dit detail alledaags was en hem niet onderscheidde van anderen. Ze hield het scheerapparaat in haar hand en zette het aan om het ons te laten horen.
Mensen willen weten hoe ze eruitzag. Vooral kinderen willen foto’s zien. Maar in de laatste vijf jaar van haar leven werden de opvallendste kenmerken van mijn vrouw vaak bepaald door kanker of de behandeling ertegen. Ze verloor haar haar en het groeide weer aan, meer dan eens. Ze droeg een wisselende collectie pruiken, waarvan geen echt bij haar paste. Ze kwam veel aan en viel veel af in gewicht, en in de loop der tijd zwol haar gezicht op. Als je naar een foto uit die tijd kijkt, zie je vaak eerst een zieke persoon, terwijl je op andere momenten iemand ziet die vol leven en gezond was. Ik weet niet welke versie ik moet beschrijven.
Nog meer variabelen: ze was 28 toen bij haar kanker in stadium IV werd geconstateerd, 33 toen ze stierf. Haar rijbewijs zei dat ze 1 meter 68 was en 52 kilo woog, met bruin haar en groene ogen – hoewel het gewicht niet klopte, misschien iets wat ze als tiener had ingevuld en jarenlang had laten staan. Het werd correct toen ze ziek werd, en daalde er daarna ver onder.
In mijn herinnering waren haar ogen eerder bruin dan het groen dat stond opgeschreven. Ik zou kunnen zeggen dat ze, toen ze gezond was, dun haar had, vaak niet veel langer dan schouderlengte, soms met een haarband en meestal te kort om op te binden – al ben ik me niet eens zeker van dat laatste zonder op foto’s te kijken. Toen ze jong was, plaagde haar vader haar weleens met haar “grote hoofd”. Soms zeg ik dat ze wit (blank) was, maar meestal wacht ik tot de vraag komt. Soms benijd ik de witte persoon met een overleden partner, aan wie die vraag minder snel zou worden gesteld.
In mijn uitvaartspeech beschreef ik het meest kenmerkende aan haar: de manier waarop de lucht om haar heen veranderde en stilviel en hoe haar hele lichaam reageerde als ze iets diep voelde – of het nu het uitzicht over de oceaan was, de kleur van een stof, of een herinnering. Op die momenten kon ze soms fluisteren of huilen. En ik had dan het gevoel dat, als ik haar huid aanraakte, ze in damp zou oplossen.
Op die momenten zag ik ook het kleine kind dat te gevoelig was voor de wereld. In de familieverhalen was ze een lastig kind geweest: emotioneel, ontroostbaar, geneigd tot woedeaanvallen. Een gevoel van onrechtvaardigheid achtervolgde haar heel haar leven en kreeg haar soms nog steeds te pakken. Misschien had ze daardoor een snel en stevig oordeel over anderen. Ze gaf me een lijstje met mensen die ze niet bij haar afscheidsdienst wilde hebben.
Ik kan ook die minder voor de hand liggende details beschrijven die zich pas na lang aandachtig kijken openbaren: dat ze haar hoofd een beetje scheefhield als groet wanneer ze naar iemand toeliep die ze kende, dat ze in haar slaap haar armen in de lucht stak en langzaam de één en dan de andere krabde, dat ze nerveus werd en mijn hand pakte als een vliegtuig op het punt stond op te stijgen.
Toch voelen deze details steeds irrelevanter aan. Naarmate de tijd verstrijkt, wordt zij voor mij meer de dingen die haar net als ieder ander maakten. Ik denk aan twee armen en twee oren en een neus die af en toe liep. Ze bezat sokken en sjaals, wikkelde een handdoek om zich heen na het douchen, schreef kaartjes, nam de bus, liep om plassen heen, deed gordijnen open en dicht, luisterde en stelde vragen, kreeg honger en werd moe, droeg soms sneakers. Ze was als ieder ander, wat zoveel wil zeggen als dat simpelweg door te ademen, ze leven creëerde en sfeer. Dit lijkt me steeds meer de kern: de beschrijving van het ding zelf in plaats van wat het anders maakt.
Ik zal proberen een van de gelukkigste dagen van mijn leven te beschrijven. Mijn partner en ik verlaten het ziekenhuis. Ze heeft haar eerste jaar achter de rug van operatie, herstel en behandeling. In haar hand houdt ze een verslag van de radioloog. Daarin worden de scans van haar lichaam beschreven, van haar hoofd, borstkas, buik, bekken. Voor elk van de vier scans staat er de volgende omschrijving – “geen bijzonderheden”, “geen bijzonderheden”, “geen bijzonderheden”, “geen bijzonderheden”. Op deze dag is er niets aan haar de moeite waard om te beschrijven.
Voor de Engelstalige versie van dit verhaal, te horen in de podcast This American Life, zie het transcript hier.
Zou het niet fijn zijn om geen woorden voor God te hebben anders dan de woorden voor de wereld, voor het leven zelf? Dat zou betekenen dat God samen zou vallen met onze wereld, ons leven en hoe we dat ervaren. Een God die zo dichtbij is als de energie in je lijf… hoe zou dat zijn?
Toch kiezen gelovigen er óók vaak voor om God tegenover de wereld te zetten. Als Iemand die anders is, de Gans Andere. Dat zal dan te maken hebben met hoe ze de wereld, of zelfs de kosmos ervaren. Als een plek met ellende, met kwaad, waar alles wat vorm heeft ook weer uiteenvalt. Een plek om aan te ontsnappen, waar je het alleen volhoudt als je gelooft dat het tijdelijk is, dat er iets nieuws zal komen waar je eeuwig zonder lijden zult bestaan.
Maar misschien kan het allebei?
ds. Kaj van der Plas


