Gedachten bij “Kwade dagen”

Bronzen beeld van Ida Gerhardt, uitkijkend over de IJssel bij Zutphen. Door Herma Schellingerhoudt
Kwade dagen (van Ida M. Gerhardt)
Ga niet naar anderen als dàt leed u slaat
dat de mens kromt, of als een wig hem splijt;
ga niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt,
die harde kern waarmee u het bestaat.
En houd uw huis in stand, gelijk altijd.
Ga niet naar anderen: hun blik verraadt
weigering te beseffen wat er is.
Straks woelt hùn onrust om in uw gemis.
Mijd hun bedisselen, hun ergernis
dat ge u blijkbaar nièt gezeggen laat.
Zoek het bij een goede vriend, u toegewijd, –
een die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt,
maar u verdraagt met uw beschreid gelaat.
Die, zèlf zwijgzaam, u kent voor wie gij zijt
en merkt dat het, nog bevend, berg-op gaat.
Ida M. Gerhardt
Gaan waar nog geen wegen zijn
De eerste vijf regels van het gedicht “Kwade dagen” zijn voor mij wonderlijk mooi geformuleerde woorden. Ik heb dit gedicht in de jaren negentig (vorige eeuw) ontvangen van een collega van mij. Zij wilde mij destijds ondersteunen in mijn zoektocht naar mijzelf. Er gebeurden dingen in mijn leven die me totaal omverwierpen. En waar moet je het dan zoeken?
Ga niet naar anderen als dàt leed u slaat
dat de mens kromt, of als een wig hem splijt;
ga niet naar anderen: raak uw kracht niet kwijt,
die harde kern waarmee u het bestaat.
En houd uw huis in stand, gelijk altijd.
Zoek het alsjeblieft bij jezelf, zo schrijft de dichteres. Probeer je eigen kracht niet kwijt te raken. Er zit een kern in jezelf die je overeind moet houden. Doe moeite om die kern te bewaken en te bewaren, aldus Ida Gerhardt. En blijf in contact met je “eigen huis”, letterlijk en figuurlijk. Ze zegt hier m.i. dat je door moet gaan met de dingen die je altijd al deed. Opstaan, ontbijten, werken, ontspannen, de dag afsluiten en gaan slapen.
Ga niet naar anderen: hun blik verraadt
weigering te beseffen wat er is.
Straks woelt hùn onrust om in uw gemis.
Mijd hun bedisselen, hun ergernis
dat ge u blijkbaar nièt gezeggen laat.
In dit tweede couplet raakt het mij hoe de dichteres heel goed beschrijft wat er gebeurt / kan gebeuren als jij je verhaal vertelt aan anderen. Een ander kan aan de haal gaan met jouw verhaal. En maakt er z’n / haar eigen verhaal van. En heel vaak ontvang je ongevraagd advies: doe zus, doe zo … Of nog erger: de eigen onrust van de ander wordt vermengd met jouw eigen gevoelens van verwarring. En tsja, wat moet je met die goedbedoelde reacties van de ander? Een “cursus luisteren” zou voor veel mensen een mooi verjaardagscadeau zijn… Gerhardt zegt eigenlijk: blijf bij jezelf, zo goed en zo kwaad als het gaat…
Zoek het bij een goede vriend, u toegewijd, –
een die u niets verwijt, niets vraagt, niets raadt,
maar u verdraagt met uw beschreid gelaat.
Die, zèlf zwijgzaam, u kent voor wie gij zijt
en merkt dat het, nog bevend, berg-op gaat.
In het laatste couplet beschrijft Gerhardt hoe je te rade kunt gaan bij een goede vriend. Let wel: heeft eenieder zo’n goede vriend?? Iemand die niets vraagt, niets raadt… alleen zwijgt “en u kent voor wie gij zijt”?
“Een ander die u kent voor wie gij zijt”; deze dichtregel roept verschillende gedachten bij mij op. Is die ander: “de Ander”? Is dat de medemens die naar jou omziet? Wanneer kent iemand jou?
In lied 653 “U kennen, uit en tot U leven” zingen we over de Verborgene die bij ons zijt. In de Paastijd wordt dit lied geregeld gezongen in de Dorpskerk. Aan de woorden uit dit lied moet ik nu denken.
De slotzin van het gedicht doet mij goed: “en merkt dat het, nog bevend, berg-op gaat.” Gerhardt geeft mij via deze laatste woorden kracht en hoop om verder te lopen, te gaan waar nog geen wegen zijn. Dit wens ik ook u toe in deze veertigdagentijd, op weg naar Pasen.
Henny Veltman
Wil je reageren op mijn gedachten en mijmeringen bij “Kwade dagen”? Je kunt mij mailen via dit emailadres (link opent je mailprogramma)
Het lied ‘U kennen, uit en tot U leven’ be-luister-kijk je hier (link opent YouTube)


